Cor Lauwerijssen biografie deel 3

Oud koffertje jaren vijftigMijn grote avontuur begon op een zaterdagochtend in de warme zomer van 1958. Ik werd door mam met water uit een emmer gewassen en vervolgens per benenwagen naar Huize Nazareth afgevoerd. Ik droeg het kleine bruine koffertje met daarin wat schamele kleertjes. Wat ik toen niet nog wist, was dat Frans, waarmee ze 8 jaar getrouwd bleef, het koffertje op het Tilburgse station had gejat. Om tien uur werden we bij de fraters verwacht. Ik begreep niet goed wat er stond te gebeuren en had het bekende gevoel van die steen in mijn maag.
De hoofdingang van dat gigantische gebouw bevond zich in het
midden bij de grote boog. Via een klein deurtje aan de linkerkant kwamen we in een brede gang waar een aantal pingpongtafels stonden opgesteld. We mochten in een zijkamertje plaatsnemen en werden even later begroet door directeur frater Reinardus. Het was een vriendelijk ogend man met zilvergrijs haar. Hij droeg een witte boord om zijn nek en had een lang zwart kleed aan waar een grote rozenkrans aan hing. Er werd het een en ander uitgelegd om daarna naar een grote zaal te worden gebracht. Even samen rondkijken, een afscheidskus van ons mam en daar stond ik in mijn korte fluwelen broekje met galgen. Verder was er niemand, want in die tijd moesten we op zaterdagochtend nog tot half een naar school. Mijn God, zeven jaar oud was ik nog maar en wat voelde ik me eenzaam en in de steek gelaten. Ik hoor haar nog zeggen; hier zit je echt beter jongen, je krijgt op tijd te eten, je kunt er met andere kinderen spelen en op school leer je een vak voor later. Frans wil jou niet, bij je vader mag ik niet meer terug komen en ik weet niet waar ik naar toe kan. Over een paar maanden komt er ook nog een broertje of een zusje bij. Je woont toch nog vlak bij mij en Tante Luus en ik kom je zo vaak mogelijk opzoeken. Daar ging ze, huilend terug naar het oude arbeidershuisje aan het Pieter Vreedepad nr 17 en haar vent, een weduwnaar met 3 kinderen. Zijn kinderen waren ook uit huis geplaatst en het programma Spoorloos besteedde daar een paar jaar geleden aandacht aan.


Ik kreeg heimwee naar huis en wilde het liefst achter haar aanhollen. Via de lange gang kon ik nog een heel eind mee huppelen en via de vele hoge ramen moeder uitzwaaien. Totdat ze de hoek omging en uit het zicht verdween. Frans was bij een motorongeluk zijn vrouw verloren en had zelf maandenlang in coma gelegen. Dat is natuurlijk verschrikkelijk. Misschien had moeder medelijden met hem en dacht dat er best iets van te maken zou zijn. Zijn kinderen kwamen zo nu en dan op weekend. Dan gingen we naar het Wilhelminapark waar een prachtige kiosk stond. Het park dat al jarenlang geen enkele sfeer meer uitademt. Dat waren de leuke momenten, voor de rest vond ik er geen ene moer aan. Ik vond Frans een regelrechte Jan Doedel. Hij kon mij niet gebruiken en ik weet nog dat ik hem toeschreeuwde; als ik later groot ben stomp ik je helemaal in elkaar klootzak. En dan moest ik het op een lopen zetten en op het hoekje wachten tot mam van haar werk thuis kwam. Het lijkt Ciske de Rat wel! Moeder werkte voor de kost op de toddenkeet van mijnheer Piet en hij deed niet veel, dat had ik al heel snel in de smiezen. Daarom zat ik nu in het internaat was mijn stellige overtuiging. Frans heeft overigens nog wel even in het grondwerk gezeten. Ons mam moest op een dag zijn boterhammen en de fles thee brengen. Op zo'n polderweggetje waren ze met de schop bezig. Helemaal op de fiets over de dodenweg naar Dorst, bijna in Breda, met mij achterop de bagagedrager. Het mens was helemaal kapot toen ze daar arriveerde. Frans kon even aan de anderen laten zien wat hij veroverd had en toen moest ze dat hele eind weer terug.

Op 1 okt 1958, 2 maanden later al, kreeg ik er een zusje bij. Ons Sjannie zag het levenslicht. Het was ook de dag dat Frater Reinardus jarig was. Die eerste ochtend in het gesticht liep ik na het vertrek van mijn moeder wat rond en nam goed in me op wat ik er allemaal zag.  De kongo-papagaai aan de linkerzijde zou enkele weken later door mijn frietje, gekocht bij Harrie den buik, stikken). Een klein aapje ( dit aapje ) dat venijnig in je hand beet als hij die naar zich toe kon trekken. Een biljart met een joekel van een legpuzzel erop en talloze boeken met plaatjes. Er stond zelfs een televisie. Ik had voordien weleens op de woensdag of zaterdagmiddag bij een vriendje voor een duppie televisie mogen kijken. Ze woonden in een mooi huis en waren aan de meubels te zien zichtbaar in goede doen. Welgesteld en dan aan ons een dubbeltje durven vragen om naar Dappere Dodo of tante Hannie te mogen kijken. Misschien heb ik toen al een aversie gekregen tegen uitzuigers.

         Dappere Dodo jaren vijftig    aapje in de kooi Huize Nazareth Tilburg    Kong Papagaai in de zaal van Huize Nazareth Tilburg

Rond kwart voor een kwam er een groep kinderen de zaal binnenstormen. Als vreemde eend in de bijt trok ik meteen veel bekijks. Die eerste dag ging maar langzaam voorbij en toen we eindelijk naar de slaapzaal vertrokken deed ik ondanks de vermoeidheid geen oog dicht.Ergens aan de rechterzijde sliep ik de eerste week. Later verkaste ik naar de straatzijde. Slapen lukte haast niet die eerste nachten. De foto's samen met die van de wasbakken zijn van de originele slaapzaal. Ook op de andere internaten was de indeling haast identiek zoals je op de ander foto kunt zien. Na een paar dagen raakte ik echter gewend en had ik zelfs al een paar keer flink van me af moeten bijten. Moeder had me op het hart gedrukt dat ik me niet op mijn kop moest laten zitten en mijn haren terug moest halen. Ik ben geen ruziemaker maar heb wel altijd mijn eigen boontjes kunnen doppen. De Beekse dijk op Broekhoven 3 was een ruige wijk en aan de andere kant daarvan, schuin achter de Pius 10 kerk, had je een andere volksbuurt met een slechte naam. De Ruisvoorn. Gewoon terugmeppen met wat je in je handen hebt, zei ons mam anders blijven ze koeioneren en als ze met meer zijn de eerste de volle laag geven. Ik hoefde niet jankend thuis te komen want dan moest ik terug. Als het nodig was sloeg ik er bovenop. Ik heb er nooit geen last meer mee gehad. Je maakt op zo'n internaat vriendjes en luistert naar diegene die er al wat langer verblijven. 

Het schijnt dat we wekelijks met de groep in het oude zwembad aan de Ringbaan Oost gaan zwemmen. Op deze foto staat frater Siegfried met zijn toenmalige groep. Ook spelen we op de grote zandvlaktes bij de Beekse Bergen, daar waar nu al jaren het beroemde Safaripark is gevestigd. Het safaripark waar Rutger Lommerse al heel lang op kantoor werkzaam is. Ik moest er op een keer, na zo'n middagje spelen, helemaal op de step terug naartoe omdat ik mijn gloednieuwe steunzooltjes onder de boom had laten slingeren. Ik kon ze onder dat rulle zand niet meer terugvinden, waarna ik voor straf enkele bladzijden uit de catechismus moest leren.


In de winters werden de speelplaatsen natgespoten zodat we konden schaatsen en slibberen. Dat schaatsen was met die houten botjes niet mijn favoriete bezigheid. Adrie vd Hout uit Tilburg woonde eerder ook op Huize Nazareth. Hij liet me weten dat hij voor het varken mocht zorgen en s' winters de speelplaatsen nat spoot. We gingen regelmatig naar de Rimboe, een stukje bosgebied met speelweide dat eigendom was van de fraters. Daar stonden een paar gebouwtjes en in het bos was een droge waterput waarin men ooit een lijk had gevonden van iemand die daar vermoord was.



Dat was in ieder geval het verhaal. Keurig twee aan twee in de rij liepen we daar via de boerenpaadjes heen. Het leuke was dat je dan af en toe zo'n roze knolletje uit de grond kon trekken om op te knabbelen. De frater liep achteraan met een slijmbal ernaast als hekkensluiter. We wandelden wat af in die jaren. Een paar jaar eerder zag ik ze door Tilburg lopen en nu liep ik er zelf tussenin.


Frater Leopold las als we rustig waren geweest met zijn zware stem verhaaltjes voor uit de boekjes van Puk en Muk of we mochten televisie kijken. Een paar jaar later werd hij overgeplaatst naar de Kongo. Hij heeft er niet kunnen wennen en spoedig daarna is hij overleden.





Bij frater Jeroen kon je bekijken hoe je boeken moest kaften en innaaien. Jeroen was een vakman eersteklas en toen ik hem begin zeventiger jaren opzocht gaf hij mij het misboekje dat ooit aan Frans Fransen toebehoorde. Er stond een pot met beenderlijm op een vuurtje en de lucht daarvan hangt nog steeds in mijn neus, net zoals de geur van een nieuw schoolboek je niet meer loslaat of de smaak van een nieuw potloot als je er op sabbelt. Bijna alle fraters uit mijn tijd hadden op de drukkerij gewerkt. We gingen regelmatig naar de Efteling of de IJzeren Man en namen dan grote ketels mee die met limonadesiroop en water werden gevuld om de kosten te drukken.







Dat we daar naar toe konden kwam omdat de fraters de bekende eieren voor de Efteling vulden. Toen ze net met dit vullen begonnen kregen ze een halve cent per ei. Het entreegeld moest tenslotte ergens vandaan komen. De fraters deden veel om voor een spaarpotje te zorgen. Ook de uitstapjes met de afgehuurde bussen naar toeristische plekken werden uit het potje betaald.  Thuis kwamen we niet veel verder dan de droge sloot, richting Kaatsheuvel. Dan hadden we een fles koude thee bij ons en heel af en toe een fles lekkere Exota met gele of rooie prik of zo'n groene fles Riedel -limonade. Het toeval wil dat ik een paar jaar geleden met de vrachtwagen dagelijks een aantal keren per dag voorbij diezelfde plek reed. Ik zag mezelf weer helemaal zitten aan die slootkant. De fietsen in het gras, maar dan bijna vijftig jaar terug in de tijd. Hoe het leven er op het internaat uitzag werd me allemaal haarfijn door de jongens uitgelegd. Gingen jullie dan niet naar de Efteling? werd me gevraagd, en ik moest ontkennend knikken. Geen geld, mompelde ik. Kevertjes tellen met zo'n spijltje in de achterruit. Of de beginletters van kentekenplaten gokken. Al gauw werd me duidelijk dat haast iedereen een bijnaam had. Flappie, Velletje en de manke Peter zijn er maar een paar. Addie Seuren uit Den Bosch was het eerste bruintje met kroeshaar dat ik zag. Sommige zijn dood, veelal door aanraking met drugs, drank of een onstabiele relatie. Die konden de kar niet trekken. Ook ik had al snel een bijnaam. Mij noemden ze Lauwke tod. Het stukje v/d achternaam en het feit dat moeder op de toddenfabriek van mijnheer Piet werkte. Tilburg was namelijk een industriestad waar mensen voor een habbekrats werkten en net zoals nu weer het geval is door de kapitalisten werden uitgebuit. Ach, de naam Lauwke tod zul je in het Tilburgse bijnamenboek niet tegenkomen maar het klonk wel leuk en ik kon er niet echt boos om worden. Om me gerust te stellen, vertelden ze dat je na een tijdje naar huis mocht. Eerst op de zondag, maar later mocht je al op zaterdagochtend worden opgehaald. En met de vakanties natuurlijk ook. Mijn moeder woonde zó dichtbij dat ik misschien wel alleen mocht, dacht ik nog. Ik fleurde helemaal op en kreeg weer enigszins hoop.

Cor Lauwerijssen en zusje Sjannie 1961Cor Lauwerijssen en moeder 1958Samen met mam en op de andere foto met zusje Sjan en mijn 32 basser sta ik hier in 1961 voor de deur in het Pieter Vreedepadje nr. 17. De accordeon had ik met sinterklaas gekregen. Moeder heeft heel wat werk moeten verzetten om het ding te kunnen betalen. Ondanks de armoede was de tafel gevuld met allerlei cadeautjes, chocolade muntjers en suikerbeestjes. Het mocht en zou haar kinderen aan niets ontbreken. En ik? Ik ben het nooit meer vergeten zoals je kunt lezen!





Het armetierige Pieter Vreedepad waar moeder terecht was gekomen lag midden in het centrum, pal achter de later afgebrande V&D op nog geen kwartiertje loopafstand van het internaat. Het straatje was niet meer dan een steegje en destijds vanaf de Heuvelstraat opgesplitst in drie delen. Het waren oude muf ruikende arbeidershuisjes die het predicaat bewoonbaar niet eens verdienden. Via de dakpannen keek je zó de lucht in en s' winters stierf je ondanks de wollen dekens van AaBee dekenfabriek van de kou. Als de wind verkeerd stond kwamen er zelfs sneeuwvlokken binnen dwarrelen. Het houten wc 'tje met zo'n hartje in de deur was net als in de Transvaalstraat buiten. Boven de deur hing op een gegeven moment een bordje met "onbewoonbaar verklaarde woning". In het schuurtje had Frans een balk waaraan hij de konijnen met de achterpootjes ophing om ze vervolgens met een knuppel of met de handpalm in de nek dood te slaan. Hij moest regelmatig meerdere keren uithalen en het beestje gilde dan alles bij elkaar. Dat verschrikkelijke geluid ging door merg en been en zit nog altijd in mijn hoofd. Ook de bloeddruppels die via de bek en de neusgaatjes op de grond uit elkaar spatten zie ik nog voor me. En dan die geur als het buikje werd opengesneden en de darmpjes eruit vielen. Een verschrikkelijk tafereel om te moeten aanzien. Het huishoudelijk afval ging nog in een zinken vuilnisemmer. Een heel gedoe voor mam om dat ding naar de hoek van de straat te zeulen als de vuilniswagen moest komen. Toch, ondanks de misère, gingen de mensen gemoedelijker met elkaar om dan tegenwoordig. De dikke dame van de kermis woonde er ook als ze niet hoefde rond te toeren en maakten dat het leven daar niet onaangenaam was. De een kwam om een paar eieren en zelf haalde je weer een potje suiker bij de buren. Men hielp elkaar in die moeilijke tijden. Met Jeannette ben ik nog een aantal keren voor een broodje van de "Kras", gevestigd aan het Pieter Vreedeplein in Tilburg gereden. Vanuit die broodjeszaak hadden we zicht op de plek waar vroeger die oude krotjes stonden. Zelfs de oude regenpijp tegen het achterliggend pand was na al die jaren nog steeds aanwezig. Nee, ons mam was er niet op vooruit gegaan, dat was een regelrechte slechte ruil. Daar in dat steegje woonden mensen in volledige armoede. Naast ons op nr 19 huisde de Tilburgse kunstenares Ria Mook. Frans had op zolder heel voorzichtig met een mesje een piepklein kijkgaatje in de bepleisterde muur gemaakt, zodat hij de naakte modellen kon begluren en ik gluurde ook wel eens stiekem, want anders zou ik dit natuurlijk niet kunnen weten. Ik zag te veel en dat kon hij niet gebruiken.

Op de hoek was de fietsenzaak van Guil v/d Ven! Als je op Huize Nazareth, zo rond je tweaalfde, de grote communie deed kreeg je een zwarte fiets. Guil had een vast contract met de fraters van Tilburg. Wanneer ik een katapult wilde maken haalde ik bij hem een kapotte binnenband. Ondanks de ellende was men solidair met elkaar. Tenslotte zat je met z'n allen in hetzelfde armoedige schuitje. In de textielstad Tilburg was er genoeg werkgelegenheid voorhanden maar veel verdienen deed men niet. Men probeerde er gewoon maar het beste van te maken in de hoop dat er snel betere tijden kwamen.

 



Hoop doet leven en ik wachtte geduldig op de dag dat ik voor het eerst naar huis mocht. Voor mij ging dat uitstapje waar ik zo halsreikend naar uitkeek niet door omdat ik moest wennen aan mijn nieuwe omgeving. Die zomervakantie bleef ik terwijl iedereen vertrok alleen achter bij frater Leonardus. Pas in de laatste weken van de grote vakantie mocht ik naar de boerenfamilie "de Kort" ergens in Goirle. Het was een leuke ervaring met die beestenboel, vooral als je nog nooit een koe of een kip van dichtbij had gezien. Na de zomervakantie werd er voor mijn familie een bezoekregeling getroffen. In beginsel mochten ze 1 keer per maand komen. Iedereen verscheen ten tonele behalve mijn biologische vader. Hij mocht me niet opzoeken, wel mocht hij speelgoed voor me afgeven aan de voordeur. Op een dag werd er een grote doos met daarin een vrachtwagen met aanhanger de zaal binnen gebracht. Eentje met zo'n grijs dekzeil op de voor en achterwagen. Dolblij was ik met zo'n blikvanger, maar ik zou natuurlijk nog gelukkiger zijn geweest als ik pap zelf had mogen zien. Al was het maar voor een half uurtje, tien minuutjes dan? vijf misschien, 'n kusje? De broer van moeders nieuwe man, Harry, die zich later onder een vrachtwagen te pletter reed, had mijn opname bij de fraters geregeld hoorde ik later. Zó makkelijk ging het in die tijd als iemand de verfoeilijke Kinderbescherming inschakelde. Net als pa heb ik ook een bloedhekel aan de bemoeienissen van die instantie. Nog steeds nemen ze verkeerde beslissingen waardoor kinderen een van hun ouders niet of nauwelijks te zien krijgen. Ik was een sta in de weg, een blok aan het been, maar wat het inhield begreep ik toen nog niet. Ik heb m'n pa, overigens een keiharde werker en geen kroegloper nog één keer in levende lijve gezien. Dat was toen ik op weekend was. Hij liep te ijsberen op het hoekje bij de fietsenmaker om een glimp van me op te vangen. Op de foto kun je zien waar hij stond en op en neer heeft gelopen. Op het moment dat ik hem zag rende ik naar binnen, naar mijn moeder. Mam, mama, papa staat op de hoek. Loop er maar gauw heen jongen. Och, wat was ik blij en mijn vader was nog blijer. We wandelden hand in hand de hele Tilburgse binnenstad door en op het laatst kocht hij een mondharmonica voor me en een eindje verderop twee grote sinasappelen bij het bekende groetehalleke aan de rand van het Piusplein. De appelsienen heb ik dezelfde dag al verorbert maar de mondharmonica heb ik zestig jaar later nog steeds. Kort daarna is hij van verdriet gestorven. Verdriet van het piekeren.

 

Pap werkte in Tilburg bij "de Regenboog"  aan de Oude Bredase weg en was daar op een dag in elkaar gezakt en overleden. Ik was niet eens bij zijn begrafenis. Maanden later hoorde ik voor het eerst dat hij dood en al lang begraven was. Probeer dat als kind maar eens te bevatten. Hoe het hem precies was vergaan en hoeveel verdriet hij heeft gehad hoorde ik eind jaren zestig toen ik op zoek ging naar zijn familie. Hij werd gek van eenzaamheid en de familie besloot hem in huis te nemen. Z'n huishuur werd opgezegd. Zo stond er na werktijd in ieder geval een bord met eten klaar en hoefde hij niet in z'n uppie te zijn. Triest, en nog triester is dat ik tot voor kort niet eens wist waar en wanneer hij is geboren. Alleen dat hij avonden achtereen boven op z'n kamer zat te huilen en dat hij van opera en operette hield. Vooral Mario Lanza vond hij prachtig.

Moeder heeft nooit ergens over willen praten. Dat is allemaal voorbij jongen, als ik alles over kon doen wist ik het wel, zei ze dan. Jouw vader was een harde werker en een stikgoeie vent, alleen kon ik er niet mee leven, zó jaloers dat hij was. Het zal het leeftijdsverschil wel zijn geweest en het gedrag. Begin jaren zeventig ben ik samen met een vriendin zijn graf gaan zoeken aan de Gilzebaan te Tilburg. Daar bleek een kerkhof te zijn waar de ongelovigen in ongewijde aarde werden begraven. Waarschijnlijk was het graf al geruimd. Nee, pa moest niks van de kerk hebben. De pastoor mocht ook niet binnen komen. Die pottenkijkers jutten alles op en die fraters, die zogenaamde heiligen vertrouwde hij ook niet. Hij kende meerdere gevallen waar de kinderen van waren opgeruimd. En nu had hij zelf aan den lijve ondervonden hoe dat systeem werkte. Wat moet die man enorm veel geleden hebben.

Cor Lauwerijssen.[Puk en Muk site naar een idee van Lauwke Tod.] Alle rechten op de inhoud voorbehouden.