Cor Lauwerijssen biografie deel 4

In afwachting van mijn allereerste bezoek duurden de maanden verschrikkelijk lang. Ik kreeg brieven van thuis, maar die waren al opengemaakt. We mochten twee boterhammen met toespijs en de rest moest met zoetigheid. Voornamelijk hagelslag, muisjes en kokoskaas. Een paar keer per jaar stond er een gekookt of gebakken ei op het menu. Warm eten bestond veelal uit stamppot, hete bliksem, balkenbrij, bloedworst en gehakt en op vrijdag aten we altijd vis die toen nog betaalbaar was. Als toetje kreeg je griesmeelpap of chocolade -caramelpap met klontjes en dikke vellen. Er bleef altijd wat over voor de zwervers die dagelijks aan de poort stonden. Op school leerden we door veelvuldige tikken op de vingers mooi aan elkaar schrijven. Vooral op de lussen werd driftig geoefend.


Als je uit school kwam kregen de groepen beurtelings korsten brood met suiker om de eerste honger te stillen. Soms, op zondagochtend na de mis, tijdens de broodmaaltijd kwam Frater Reinardus langs. Hij keek je indringend aan om vervolgens tergend langzaam met een klik een gulden naast je bord te leggen die hij uit dat zwarte kleed toverde. Bij hoogtijdagen kregen we zelfs een rijksdaalder. Toen nog van zilver. Ik werd een flink aantal keren overgeslagen omdat ik verdomde de fraters met "U" aan te spreken.


Met dat geld konden we witte kruisbrokken, velletjes snoeppapier en zoethout kopen, of blokken jodenvet. Tegenwoordig heet het borsthoning. De cadeautjes die ik van mijn bezoek kreeg waren bestemd voor ieders gebruik, snoep moest je delen en het ontvangen geld moest worden ingeleverd. Dat werd via een zegelsysteem gespaard. Na mijn komst op Huize Nazareth duurde het bijna een half jaar voor ik op een zondag door moeder mocht worden opgehaald. Daarna gebeurde dat met een grotere frequentie en zo gehaaid als ik was vertrok ik kort daarna al zonder toestemming op de zaterdagochtend. Ik hield me gewoon van de gekke. Om half 8 moest ik op de zondagavond weer binnen zijn. Dan ging ik op zoek naar de achterblijvers van dat weekend die meestal in de filmzaal van het internaat zaten. In het begin draaide men voornamelijk de films van de Dikke en de Dunne, Roy Rogers en Zorro en natuurlijk oorlogsfilms met daarin de pitjes spuger. Verder had men in Huize Nazareth een eigen recreatiezaal waar de Tilburgse bevolking regelmatig naar een toneelstuk kwam kijken. De spelers waren volwassenen en bij een daarvan ben ik later nog eens bij toeval terecht gekomen. Ik werkte op dat moment bij ETIPAR, een ontstoppingsbedrijfje. Loop maar vast achterom Correke en neem het karretje met de ontstoppingsveer alvast mee. Toen ik het poortje opendeed lag er een leeuw op de achterplaats aan een ketting. Ik liet alles los en heb nog nooit zo hard gelopen. Het was een soort Clarence uit de serie Daktari ooit meegebracht uit het buitenland. In die jaren was dat heel gewoon. Het beest werd in het krakkemikkige schuurtje opgesloten zodat wij de beerput door konden spoelen. De stront leek net peperkoek die ik met water moest verdunnen. Stinken! Mijn baas stopte er zijn hand in en kneep die dicht zodat de vuiligheid tussen ze vingers uitspritste. Niks zo zuiver als stront Correke grapte hij, daar is nog nooit iemand met zijn handen aangeweest. Even afspoelen met de waterslang die ik vasthad en schoon was het weer, behalve onder de nagels en de nagelriemen. Even later zat hij in het busje lachend zijn boterhammen op te eten. Een week later was ik er weg. Op een van de wanden van de recreatiezaal was door een frater een kopie van de Nachtwacht geschilderd. Dit wist ik niet meer maar deze door mij vergeten informatie werd me toegespeeld door Adrie van hout. Er werden ook kinderstukken opgevoerd en aan één daarvan mocht ik meedoen als wachter. Ik stond op een laddertje vanaf de toren de ( zaal ) in te kijken en riep de gevatte tekst, daar komen ze aan, wachters open de poorten. Dat was al, en wedden dat ik een rooie kop had!



Op het internaat moest je regelmatig helpen in de keuken. De fraters waren van alle gemakken voorzien. Zelfs een eigen kleermakerij maakte deel uit van het complex Huize Nazareth en de vaste kapper kende maar één model. De mooiste films waren de religieuze films. De oude versie Bernadette v Lourdes uit 1943, Marcellino brood en wijn uit 1955, Barrabas, de Tien geboden en Ben Hur. Mooi en indrukwekkend als je nog nooit in een bioscoop was geweest. Het internaat kende bij mijn aankomst in de zomer van '57 twee leeftijdsgroepen. Jongens in de leeftijdscategorie van 13 á 14 en de groep daarboven tot hun 21e jaar. We mochten met drie koningen met lampionnen langs de deur om liedjes te zingen voor wat snoepgoed of geld. Bij een adres in de Veestraat gooide iemand vanaf boven een volle piespot over ons leeg. De lampionnen doofden, de schmink liep uit en wijzelf gingen noodgedwongen terug naar het tehuis. Als ik met mijn tong over m'n lippen ga proef ik het nog. Bah!


Droekoningen zingen in de jaren vijftig 1   Driekoningen zingen in de jaren vijftig 2   Spoelkeuken internaat

En dan plots na de nachtmis, terwijl we nog wat warme chocomelk dronken en beschuitjes met muisjes aten, werden we door frater Leopold bij elkaar geroepen. We werden voorgesteld aan de schrijver van de Puk en Muk boekjes, Frans Fransen. Jammer, ik was nog te jong om het allemaal te kunnen bevatten en ik viel op dat moment om van de slaap. Vrij kort na mijn komst ging de gemiddelde leeftijd omlaag door ouderen eerder uit huis te plaatsen. De fraters zorgden ook dat je werk had als je van Huize Nazareth vertrok. Iedereen kreeg evenveel kans om een goede start in de maatschappij te maken.

 

MisdienaarsIk presteerde ondanks dat ik vaak zat te dromen goed op school en werd uitverkoren om misdienaar en koorknaap te worden. Bij de hoogmissen mocht ik van frater Siegfried solo zingen, net als zo'n Wienersangerknaab. En zingen kon ik! Als de genodigden naar boven keken was ik enorm trots om zo in de belangstelling te staan. Mooi gezongen kereltje! Hoe heet jij? Corrie Lauwerijssen en ik woon hier eigenlijk heel dicht bij en, en, en.... ik ratelde maar door. Ook ons mam was erg trots op mij en was er van overtuigd dat ze de beste keus had gemaakt. Als ik er op terugkijk was dat ook zo. Ik heb mijn moeder dan ook nooit verwijten gemaakt. Waarschijnlijk omdat ik begreep hoe de situatie werkelijk lag. Mam heeft nooit geen liefde gehad. Onze Cor gaat later vast en zeker het klooster in vertelde ze tegen iedereen. Voorlopig was ik nog koorknaap en misdienaar. Alles nog sfeervol in het Latijns. Ad Deum qui laetificat juventutem meam, was de eerste zin. Die woorden zal ik nooit meer vergeten! Het stond allemaal in het misboekje. De betekenis van die woorden kende ik niet en al die andere misdienaars waarschijnlijk ook niet. Er werd me geleerd de handen zo samen te vouwen dat het topje van mijn pink zichtbaar bleef. Ik moest vroeger mijn bed uit dan de anderen om de mis in onze kapel te dienen. Af en toe stiekem een hostie pikken en wat wijn proeven. Na enkele weken mocht ik zelfs in alle vroegte naar de Oude Dijk bij de Zusters van Liefde om daar nog half slapend misdienaartje te spelen.

Bij de nonnen hadden ze een Grote en Kleine kapel, een Bovenkapel en een Kweekkapel en het rook er erg lekker naar wierook. Wij steken hier regelmatig een stokje aan. Ik heb van Helma nog een een origineel wierook apparaat uit de kerk hangen waar je de mirre op een houtkooltje moet laten branden. De priester stond destijds nog met de rug naar de mensen. In de kweekkapel had ik het slecht. Daar zat ik als misdienaar zó dat de meiden me constant aan konden kijken. Een vuurrode kop was het gevolg. Zuster Trudy vond me een leuk kereltje, voelde mijn eenzaamheid en maakte een bruin teddybeertje voor mij. Ik heb het nog jaren gehad en ik heb ook altijd een zwak voor knuffelberen gehouden. Ook ben ik nog in het bezit van een oude grijze vulpen met afgebroken punt en een potje met Oost-Indische inkt. Dat was pas een luxe in die tijd. Overal zat inkt behalve in de vulpen. Hij ligt al jaren in mijn gereedschapskist. Als ik de pijp uitga en ze rommelen tussen de spulletjes zal niemand beseffen wat de emotionele waarde voor mij is geweest.


Begin zestiger jaren creëerde men meerdere zaaltjes om daarin kleinere groepjes jongeren in onder te brengen. We kregen een nieuwe televisie en een eigen keukentje waar we beurtelings de afwas deden. De lange tafels met banken werden ingeruild voor kleine tafeltjes voorzien van een tafelkleedje en stoeltjes. Het zag er gezellig en huiselijk uit. Op een keer kwamen we terug van het Lof en hoorde de frater mij tegen iemand iets onfatsoenlijks roepen. "Daar heb ik het schijt aan" flapte ik eruit. Voor straf moest ik in het open keukentje met mijn rug naar de televisie gaan zitten. Bonanza kwam en ik kon niet mee kijken. Alleen de begintune kon ik meedoen. Téteretetetere té té tééé... téteretété té. Leuke serie. Straf is straf maar dit ging wel ver. Toch was het er ondanks de middeleeuwse strafmaat niet ongezellig.

De slaapzaal boven, werd omgetoverd en er kwam een nieuwe wand met wasbakjes. Aan de voor en achterzijde bij de ramen werden de wanden op 2 meter hoogte gebracht en in het middengedeelte kwamen 2 rijen met slaapunits. De wandjes hieromheen waren 1 meter hoog. De privacy was gewaarborgd en het gaf je het gevoel een eigen plekje te hebben. De frater sliep op dezelfde zaal in zijn eigen kamer zodat hij altijd in de buurt was en een oogje in het zeil kon houden. Dat er ook andere zaken gebeurden hoorde ik pas na het maken van deze website toen de reacties binnen rolden.

Archie de man van staalStripfiguur Archie de man van staal, dappere Dodo, tante Hannie, Armand Pien de populaire Belgische weerman met zijn leuke stem, Pipo en Puk en Muk raakten in de vergetelheid en werden ingeruild voor spannende series als Bonanza, De Graaf van Monte Cristo, De Laatste der Mohikanen en de Drie Musketiers, De Texas Rangers, kapitein Zeppos, Schipper naast Mathilde, Rin tin tin enz. enz. Eén speciaal iemand viel extra op met zijn korte filmpjes. "T Manneke. De Belgische televisie bracht toen al betere programma's dan de Hollandse. Iedereen wilde den Belg op zijn televisie ontvangen. Met een spriet of een losse draad werd er gezocht naar de beste ontvangst. Vaak gaf het beeld overwegend sneeuw maar dat mocht de pret niet drukken. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig kon ik een aardig zakcentje bijverdienen door in Breda elementen voor ontvangst van België en Nederland 2 op de daken van grote herenhuizen te plaatsen. De elementen had ik op Huize Nazareth een paar jaar lang in elkaar gezet, dus ik wist precies hoe het werkte.


Omdat Tilburg voornamelijk een textielstad was kregen de fraters kleine lapjes met bloemen bedrukte stof die onder de brave kinderen werden verdeeld. Voor op je tafeltje naast het bed of onder het potje waarin een plantenstekje stond. Er veranderde heel wat in een paar jaar tijd. Je kreeg de mogelijkheid een spaarcentje te verdienen. Bij frater Leonardus kon je "rondjes" maken. Met een pincet kleine onderdeeltjes in een rondje drukken. Hierin werden volgens zeggen in de fabriek de buislampen van televisies en radio's gezet. Je mocht ook in het "hok" de elementen voor televisieantennes in elkaar zetten. Staafje, vleugelmoertje enz enz. Ik had het er net al terloops over.


 

Ik werkte heel wat uurtjes met frater Leonardus samen. Toen ik uit Huize Nazareth vertrok had ik een mooi nieuw brommertje bij elkaar gespaard. Een Kapitein Mobilette, ook weer bij Guill v/d Ven gekocht, met zo'n wit pookje om de aandrijfrol op de band te zetten. Guill was inmiddels verhuisd naar een ander pand aan de Korvelseweg. Leonardus had het allemaal keurig bijgehouden en het geld dat ik verdiende netjes voor mij apart gezet. Later in de zestiger jaren reed ik rond op een nostalgische Puch ( zoals hier afgebeeld ) met het hoge stuur.

Kapitein Mobylette   Spaarbankboekje van Cor Lauwerijssen jaren zestig   Puch brommer


Ik vond laatst naast mijn zwemdiploma en mijn laatste schoolrapport ook dat allereerste spaarbankboekje terug. Het bedrag van fl 500, gulden haalde ik er 5 dagen na mijn zestiende verjaardag vanaf voor de aankoop van dit brommertje. Zelf verdiend natuurlijk en ó wat was ik trots. Leonardus, die stille man mocht ik echt graag. Mopperde niet en hij gaf je nooit een tik. Deed ook alles heel relaxed, waardoor ze hem de bijnaam schildpad gaven.


Frater Siegfried hier met Bert Vromans en juf Van Hoof, was streng maar wat wil je als je zoveel jongelui in toom moest zien te houden. Eucharius was ook wel aardig. Ook aan de goedgemutste fraters Jeroen en Leopold bewaar ik goede herinneringen. Eigenlijk aan allemaal! Uiteraard spreek ik voor mezelf. Begin zestiger jaren werden er groepsleiders en leidsters geïntroduceerd en kort nadien schafte men de catechismuslessen af. Ook de mis en de kerkgezangen werden naar het Nederlands vertaald. Vanaf dat moment kon je duidelijk een kentering zien. Dit zou de nieuwe opvoedkundige stijl worden. Je kreeg meer vrijheden en de jongeren werden een stuk brutaler. Men liet de haren groeien en veranderde de kledingstijl. Met het vertrek van de fraters verdween de discipline. Jufrouw v Hoof, Mien, het lieve echtpaar tante Corrie en ome Theo Schoenmakers en natuurlijk Bert moesten het geheel in goede banen zien te leiden. Het waren lieve mensen en tante Corrie was een knappe vrouw. Gehoorzaamheid maakte steeds vaker plaats voor ongehoorzaamheid en de groepsleiders wisten het niet altijd in toom te houden. Door de kinderbescherming werden er steeds vaker jongeren bij elkaar geplaatst van allerlei komaf. Vandaar dat de term jongensweeshuis bij Huize Nazareth al lang niet meer niet op zijn plaats was. Bovenstaande illustreert dat confrontaties onderling niet uitbleven en dat je regelmatig moest laten zien wat je waard was. Toch werd het verblijf daar door de meeste jongelui niet als onprettig ervaren. Zo strak als wij werden gehouden, zoveel vrijheden kregen de nieuwelingen. Ik heb er weinig mee te maken gehad. Toen het moment in 1963 daar was dat ik naar de oude LTS ( de ambachtsschool) ging om voor timmerman te leren had ik de gelegenheid om eerder te vertrekken en later thuis te komen. De school was schuin tegenover het oude station. Bijna dagelijks fietste ik langs huis of eventjes langs tante Luus.




Nadat de oude ambachtschool werd gesloten ging ik naar de nieuwe LTS aan de Jan Truijenlaan. Het speldje dat we bij de opening kregen, nu ruim veertig jaar geleden, heb ik nog steeds. Deze school lag zelfs nog gunstiger omdat mijn moeder intussen was verhuisd. De krotjes in het Pieter Vreedepad waren onbewoonbaar verklaard en ze moesten verkassen. Behalve om te eten en te slapen was deze jongen haast nooit meer in het internaat. Ik vond het er in ieder geval niet gezellig meer en was opgelucht dat ik in de zomer van 1966 weg kon. 



Cor Lauwerijssen.[Puk en Muk site naar een idee van Lauwke Tod.] Alle rechten op de inhoud voorbehouden.